In de klas werken vier tafels vaak tegen elkaar. Samenwerken, elkaar kunnen zien.

Maar als je goed kijkt, zie je iets anders.

Je ziet hoe de naden tussen de tafels — het smalle gebied waar ze samenkomen — voortdurend bewegen. Een elleboog die net over de rand gaat. Een boek dat op het werkblad van een ander belandt. Iemand die zonder te vragen iets pakt. Een grapje dat net lang genoeg duurt om te storen.

Niemand heeft het er over. Het is er gewoon.

De tafel als verlengde van jezelf

In de Tuinmetafoor is de grens de afbakening van je eigen ruimte. Wat er binnen de grens is, is van jou. Wat erbuiten is, is van de ander.

De rand van een tafel is zo'n grens. Het tafelblad is de werkruimte van het kind dat eraan zit. Klein, maar van hem. De plek waar hij zijn spullen neerlegt, zijn schrift openslaat, zijn gedachten ordent.

Als die grens voortdurend geraakt wordt — onbedoeld, maar steeds opnieuw — ontstaat er onrust. Niet altijd zichtbaar. Wel voelbaar.

Stel je voor dat iemand steeds net in jouw buurt staat als je probeert te concentreren. Je zegt er niets van. Maar het kost je iets.

Wat vraagt deze opstelling van kinderen?

De vraag is niet of vier tafels tegen elkaar een goed idee is.

De vraag is wat er nodig is om in die opstelling te functioneren — en of kinderen dat al kunnen. Afstemming, grensbesef, het voelen wanneer je in de ruimte van een ander terechtkomt: dat zijn vaardigheden. Geen vanzelfsprekendheid.

En als die vaardigheden er nog niet helemaal zijn, wordt de tafelopstelling iets wat voortdurend vraagt zonder dat het expliciet wordt gemaakt.

Wat doet voortdurend grensverkeer met de aandacht, de rust en het gevoel van veiligheid van een kind?

Vragen om mee te nemen

  • Welk kind in jouw groep heeft moeite met de grens tussen zichzelf en de ander — en hoe zie je dat?
  • Wat zou er veranderen als je de tafelopstelling een tijdje bewust observeerde?
  • Is de onrust in jouw klas soms eigenlijk grensverkeer?