Een moeder zit tegenover de begeleider. Ze vertelt over haar zoon: hoe moe ze wordt van alles wat ze voor hem blijft regelen, terwijl hij het misschien allang zelf zou kunnen.

De begeleider vraagt niet meteen wat ze anders zou moeten doen. Eerst wordt er stilgestaan bij wat er nu precies gebeurt — wie doet wat, en waarom.

De volle tuin eerst zien

Voordat er iets verandert, wordt eerst zichtbaar gemaakt wat er al is. Niet als verwijt, maar als beschrijving: dit is wat je draagt, dit is wat je zoon draagt, en dit is waar het overlapt. 

De begeleider laat moeder met twee poppetjes en twee omheiningen neerleggen wat zij zelf draagt en wat bij haar zoon hoort.

Wat wordt hier overgenomen?

Langzaam wordt duidelijk dat een deel van wat de moeder draagt, ooit van haar zoon was — een taak, een keuze, een verantwoordelijkheid die hij zelf had kunnen leren dragen, maar die zij op enig moment overnam. Niet uit onmacht bij hem, maar uit ongemak bij haar: het ging sneller, het voelde veiliger, het leek even makkelijker.

Help ik omdat het nodig is — of omdat het voor mij makkelijker voelt?

Vragen om mee te nemen

  • Waar in je eigen werk merk je dat je sneller helpt dan nodig is?
  • Wat zou er gebeuren als je een moment langer wachtte voordat je overnam?
  • Wat heeft iemand nodig om zelf te kunnen dragen wat van hem is?