Sommige kinderen komen de klas binnen met een rugzak die wij niet kunnen zien.
In mijn kleuterklas kwam een meisje dat afkomstig was uit een oorlogsgebied. Het was de tijd van de oorlog in Joegoslavië. Ze had een wereld achter zich gelaten die voor een kind veel te groot en te moeilijk was om te begrijpen.
Daar stond ze ineens in onze kleuterklas.
Een lokaal vol kleuren, materialen, geluiden en beweging. Voor veel kinderen een uitnodigende plek om te ontdekken. Voor haar was het vooral groot. Veel. Nieuw. Onbekend.
Ze was ontheemd.
Ik zag dat zij niet zomaar kon beginnen met spelen en ontdekken. Eerst moest er veiligheid komen. Eerst moest haar wereld weer een beetje overzichtelijk worden.
Dus besloot ik haar wereld kleiner te maken.
Elke dag koos ik vier verschillende activiteiten voor haar uit. Een kralenplank, een puzzel, blokken en nog een activiteit. Niet meer de hele kast vol materialen, maar een overzichtelijk aanbod.
Alles kreeg een vaste plek in één rode plastic bak.
Een kleine bak met haar naam erop.
Niemand mocht zomaar iets uit haar bak pakken.
Die rode bak werd meer dan alleen een verzameling materialen. Het werd een stukje van haarzelf. Een plek waar zij overzicht had. Waar zij mocht kiezen. Waar zij invloed had.
Vanuit die kleine ruimte ontstond langzaam weer vertrouwen.
Ze kon haar eerste stappen zetten in eigen keuze maken. In zelfstandigheid. In het ervaren: dit is van mij, ik mag bepalen, ik heb invloed.
Deze ervaring heeft mij geleerd dat autonomie pas kan ontstaan wanneer een kind zich veilig voelt.
Soms denken we dat kinderen meer nodig hebben: meer materialen, meer mogelijkheden, meer keuzes.
Maar soms hebben kinderen juist minder nodig.
Minder prikkels. Meer overzicht. Een plek die voorspelbaar is. Een omgeving die zegt: je mag er zijn.
Een kind ontwikkelt zich wanneer het zich veilig genoeg voelt om de wereld te gaan ontdekken.
Wat heeft een kind nodig om weer vertrouwen te krijgen in zichzelf en de wereld om zich heen?