Onze eerste taal is een binnentaal.
Een taal die niet begint met woorden, maar met beelden, geluiden, gevoelens en wat we in ons lijf ervaren.
Vanaf het allereerste begin vormen deze ervaringen ons. Ze bouwen mee aan wie we zijn, aan ons zelfbeeld en aan de manier waarop we de wereld ervaren.
Nog voordat we kunnen praten, is er al een binnenwereld.
Een wereld waarin we voelen, ervaren, waarnemen en betekenis geven aan wat er om ons heen gebeurt.
Later gaan we steeds meer naar buiten. Naar ons hoofd.
We leren woorden, leren lezen, schrijven, rekenen, denken, analyseren en begrijpen. We ontwikkelen een taal waarmee we onszelf en de wereld om ons heen kunnen uitleggen.
Dit is onze buitentaal: de cognitieve taal.
Eigenlijk ontwikkelen we daarmee twee verschillende talen:
een binnentaal en een buitentaal.
En juist het samenbrengen van deze twee is belangrijk.
Want denken én voelen horen bij ons mens-zijn.
Wanneer we alleen onze buitentaal ontwikkelen en onze binnentaal steeds minder leren herkennen, kan er een afstand ontstaan tussen wat we denken en wat we werkelijk ervaren.
Wanneer we onze binnentaal verwaarlozen, verwaarlozen we daarmee een deel van onszelf.
Van buiten naar binnen
Kinderen groeien op in een wereld waarin ontzettend veel op hen afkomt.
Beelden, geluiden, verhalen, sociale media, filmpjes, games, verwachtingen en prikkels.
Steeds opnieuw wordt hun aandacht naar buiten getrokken.
En wat van buiten komt, kan naar binnen gaan.
Een kind neemt niet alleen waar wat het ziet. Beelden en ervaringen kunnen zich ook verbinden met gevoelens, overtuigingen en de manier waarop een kind zichzelf en de wereld gaat beleven.
Buiten kan zo onderdeel worden van binnen.
Wanneer een kind bijvoorbeeld voortdurend wordt blootgesteld aan heftige, angstige of agressieve beelden, kunnen ook deze beelden onderdeel worden van zijn innerlijke wereld.
Niet omdat een kind daarvoor kiest.
Maar omdat een kind nog volop bezig is zijn eigen binnenwereld te vormen.
Daarom is het zo belangrijk dat een kind niet alleen leert omgaan met de wereld buiten zichzelf, maar ook leert luisteren naar wat er vanbinnen gebeurt.
Wat voel ik? Wat ervaar ik? Wat is van mij? En wat heb ik van buitenaf meegenomen?
Daar begint misschien wel het herkennen van je eigen zijn.
Want wanneer er steeds meer van buiten naar binnen komt, kan het steeds moeilijker worden om te voelen wat werkelijk van jezelf is.
Het gaat daarom niet om binnen óf buiten.
Niet om voelen óf denken.
Maar om beide.
Om een kind dat de wereld buiten zichzelf kan ontdekken, zonder zichzelf daarin kwijt te raken.
Een kind dat kan leren denken én voelen.
Kijken naar buiten én luisteren naar binnen.
Want misschien begint werkelijk jezelf zijn wel daar:
bij het opnieuw leren verstaan van je eigen binnentaal.